7 Recency eisen
FI(S)-certificaat — Recency eisen‡
- Een houder van een FI(S)-certificaat oefent de bevoegdheden van zijn of haar certificaat alleen uit indien hij vóór de geplande uitoefening van die bevoegdheden:
- gedurende de voorbije drie jaar het volgende heeft voltooid:
- een herhalingsopleiding voor instructeurs aan een ATO, een DTO of bij een bevoegde autoriteit gedurende welke de houder theorieonderwijs volgt om de voor instructeurs van zweefvliegtuigen relevante kennis op te frissen en te actualiseren [→ zie het KNVvL Trainingsprogramma FI(S) Herhalingsseminar], en
- bij het verstrekken van vlieginstructie als FI(S), ten minste:
- 30 uur, of
- 60 lanceringen of starts en landingen, en
- de voorbije negen jaar en overeenkomstig de daartoe door de bevoegde autoriteiten vastgestelde procedures, heeft aangetoond dat hij of zij in staat is op zweefvliegtuigen instructie te geven ten overstaan van een FI(S) die gekwalificeerd is overeenkomstig SFCL.315, onder a), punt 7 [→ FIFI], en die is voorgedragen door het hoofd opleiding van een ATO of een DTO.
- De uren die met een FE(S) worden gevlogen tijdens vaardigheidstests, bekwaamheidsproeven en Assessments of Competences‡, worden volledig in mindering gebracht van de verplichtingen uit hoofde van punt a), punt 1, ii).
- Indien de houder van het FI(S)-certificaat er niet in slaagt de instructievluchten onder toezicht en tot tevredenheid van de FI(S) te voltooien overeenkomstig punt a), punt 2, mag hij of zij de bevoegdheden van het FI(S)-certificaat niet uitoefenen voordat hij of zij met succes een Assessment of Competence‡ overeenkomstig punt SFCL.345 [→ AoC, zie 3.5 Assessment of Competence] heeft voltooid.
- Om de uitoefening van de bevoegdheden van het FI(S)-certificaat te hervatten, moet een houder van een FI(S)-certificaat die niet aan alle vereisten van paragraaf a) voldoet, voldoen aan de eisen van punt a), punt 1, i), en van punt SFCL.345 [→ AoC, zie 3.5 Assessment of Competence].
In Nederland wordt SFCL.360 (a)(2) [→ de 9-jaarlijkse demonstratievlucht] ingevuld door checkvluchten met een FI(S) aan een ATO of DTO. De ATO of DTO dient bevoegd te zijn om de FI(S) opleiding te verzorgen. De FI(S) die de checkvluchten afneemt dient bevoegd te zijn als FI(S) voor het opleiden van FI(S). De checkvluchten moeten voldoen aan de voorwaarden in AMC1 SFCL.360(a)(2). Voor invulling van deze voorwaarden worden dezelfde vluchten aangehouden als het Assessment of Competence (AoC) zoals bedoeld in SFCL.345. Het resultaat van deze vluchten wordt door de ATO of DTO op eenzelfde wijze geregistreerd als het flight test schedule als voor een AoC voor een FI(S). Dit wordt door de ATO of DTO gearchiveerd. Bij het positief doorlopen van de checkvluchten wordt dit door de FI(S) in het logboek van de kandidaat aangetekend (AMC1 SFCL.360(a)(2) – (c)).
FI(S) recency eisen: demonstratievlucht met FIFI
Voor de FI(S) bevoegdheid geldt een aantal recency eisen. Een hiervan is dat een instructeur in de afgelopen 9 jaar een demonstratievlucht met een FIFI gemaakt moet hebben, zie SFCL.360(a)(2). Dit leidt tot de vraag wanneer deze 9 jaar ingaan voor degenen die al een instructiebevoegdheid hadden op het GPL. ILT hanteert hiervoor de datum waarop het GPL is omgezet naar een FCL brevet (een LAPL-S of FCL SPL) of SFCL brevet (een SFCL SPL). De conversie mag worden beschouwd als het voldoen aan de eisen voor een demonstratievlucht. Binnen 9 jaar na de datum van conversie zal de FI(S) dus een demonstratievlucht moeten maken. De procedure voor de demonstratievlucht is hierboven beschreven bij "Invulling ILT".
FI(S)-certificaat — Recency eisen
AANTONEN VAN INSTRUCTIEBEVOEGDHEID
- Het doel van de demonstratievlucht overeenkomstig punt SFCL.360(a)(2) [→ de 9-jaarlijkse demonstratievlucht] is het bevestigen van de blijvende competentie van de instructeur.
- De demonstratievlucht dient zodanig te worden ingericht dat de gecontroleerde FI(S), zowel op de grond als tijdens ten minste één vlucht, aantoont te beschikken over de voor de FI(S)-taak relevante kennis, vaardigheden en attitudes, waaronder ten minste:
- technische kennis;
- het vermogen om een selectie van de theorievakken en vliegoefeningen uit de SPL-opleiding te onderwijzen;
- een voldoende hoog niveau van vliegvaardigheid;
- toepassing van instructieprincipes; en
- toepassing van TEM.
- De controlerende instructeur dient het met succes afleggen van de demonstratievlucht in het logboek van de kandidaat te registreren.