Ga naar hoofdinhoud

2.1 Samenvatting en structuur

richtlijnen

AMC1 DTO.GEN.230 (a)(4-6)
Module A bestaat uit drie onderdelen. De onderdelen hoeven niet achter elkaar gedaan te worden afgerond, maar mogen door elkaar lopen:

Module A wordt afgesloten met een examen: [→ 2.7 Assessment of Competence (AoC)].

De kandidaat-instructeur gaat na het AoC instructie onder toezicht (“restricted”) geven in [→ 3 Module B: Instructie onder toezicht].

Zowel het AoC als Module B maken geen onderdeel uit van dit trainingsprogramma.

SFCL.320(d)
wetgeving
SFCL.320(d)

Kandidaat-instructeurs voor een FI(S)-certificaat moeten:

...

  1. aan een ATO of DTO een opleidingscursus voor instructeurs hebben gevolgd overeenkomstig punt SFCL.330, ...
wetgeving
SFCL.330(b)(1)

FI(S) – Opleidingscursus

...

  1. De FI(S)-opleidingscursus omvat het volgende:
  1. in verband met zweefvliegtuigen, met uitzondering van TMG’s:
  1. de in punt SFCL.325 genoemde aspecten; [→ zie paragraaf 2.2 Opleidingsdoelen en competenties en 2.5.1 Workshops instructietechniek]
  2. 25 uur instructietechniek; [→ zie paragraaf 2.5 Onderdeel 2: Instructietechniek (didactiek)]
  3. 30 uur theorieonderwijs en oefeningen, met inbegrip van voortgangstests; [→ zie paragraaf 2.4 Onderdeel 1: Theorieonderwijs]
  4. ten minste zes uur, waarvan maximaal drie uur in TMG’s, of 20 starts vlieginstructie; [→ zie paragraaf 2.6 Onderdeel 3: Vlieginstructie]

...

wetgeving
AMC1 SFCL.330(b)
  1. ALGEMEEN
  1. Het doel van de FI(S) opleidingscursus is om SPL-houders te trainen tot het competentieniveau zoals gedefinieerd in SFCL.325. [→ zie paragraaf 2.2 Opleidingsdoelen en competenties]
  2. De opleiding moet zo zijn opgebouwd, dat de kandidaat-instructeur de mogelijkheid krijgt om een veiligheidsbewustzijn te ontwikkelen door kennis, vaardigheden en houding aan te leren die relevant zijn voor de FI(S)-taak, waaronder ten minste het volgende:
  1. het opfrissen van de technische kennis van de kandidaat-instructeur;
  2. het trainen van de kandidaat-instructeur om les te geven in:
  1. de grondonderwerpen en vliegoefeningen; en
  2. het raadplegen van alle relevante informatiebronnen;
  1. het waarborgen dat de vliegvaardigheden van de kandidaat-instructeur van een voldoende hoog niveau heeft; en
  2. de kandidaat-instructeur de basisprincipes instructie aan te leren en deze toe te passen op alle opleidingsniveaus.
  1. Met uitzondering van het onderdeel instructietechniek, zijn alle onderdelen van de grond- en vliegopleidingssyllabus aanvullend op het SPL-trainingsprogramma.
  2. De FI(S)-opleidingscursus moet bijzondere nadruk leggen op de rol van de individu in relatie tot het belang van de Menselijke Factoren, zowel in de mens-machine interactie en ook in de instructeur-student interactie tijdens het theorieonderwijs. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de volwassenheid en het beoordelingsvermogen van de kandidaat-instructeur, waaronder inzicht in van volwassenen, hun houding in gedrag en uiteenlopende opleidingsniveaus.
  3. Tijdens de opleidingscursus moeten de kandidaat-instructeurs zich bewust worden gemaakt van het feit dat hun eigen houding cruciaal is voor de vliegveiligheid. Het identificeren en vermijden van zelfgenoegzaamheid en het verbeteren van veiligheidsbewustzijn moet een fundamenteel doel van de opleidingscursus zijn. Het is van groot belang dat de opleidingscursus erop gericht is de kandidaat-instructeurs de kennis, vaardigheden en houdingen bij te brengen die relevant zijn voor de taak als instructeur.