Ga naar hoofdinhoud

2.2 Opleidingsdoelen en competenties

richtlijnen
AMC1 DTO.GEN.230 (a)(1)

Opleidingsdoel

Module A heeft als doel om SPL-houders op te leiden tot zweefvlieginstructeurs.

richtlijnen

Competenties

De competenties worden getraind in [→ Workshop 1 en Workshop 2 van Onderdeel 2: Instructietechniek (didactiek)].

De kandidaat-instructeur moet ook worden beoordeeld op de competenties. Zodra de kandidaat-instructeur een bepaalde competentie voldoende beheerst, dient die competentie te worden afgetekend op de progressiekaart.

wetgeving
SFCL.325

FI(S)-bekwaamheden en beoordeling

Kandidaat-instructeurs voor een FI(S)-certificaat worden opgeleid om de volgende vakbekwaamheden te verwerven:

  1. het voorbereiden van voor de instructie benodigde middelen;
  2. een stimulerend leerklimaat scheppen;
  3. het overdragen van kennis;
  4. het integreren van risico- en foutenbeheer (threat and error management — TEM) en Menselijke Factoren‡;
  5. timemanagement om de opleidingsdoelstellingen te bereiken;
  6. het leerproces bevorderen;
  7. het beoordelen van de prestaties van de SPL-leerling;
  8. het toezicht houden op en beoordelen van de vorderingen;
  9. het evalueren van opleidingssessies, en
  10. het rapporteren van resultaten.
wetgeving
AMC1 SFCL.325

FI(S)-bekwaamheden en beoordeling

  1. De training moet zowel theoretisch als praktijkgericht zijn. Tot de praktijkgerichte elementen horen de ontwikkeling van specifieke instructievaardigheden, met name op het gebied van het onderwijzen en beoordelen van TEM.
  2. De training en beoordeling van kandidaat-instructeurs moet gedaan worden met behulp van de volgende prestatiestandaarden:
[→ de tabel staat in Workshop 1 en Workshop 2 van Onderdeel 2: Instructietechniek (didactiek)]