Ga naar hoofdinhoud

2.6 Onderdeel 3: Praktijkopleiding

richtlijnen
AMC1 DTO.GEN.230 (a)(3,7)

In Onderdeel 3 worden de mentorstarts met FIFI's gemaakt. Er moeten minimaal 20 starts of 6 uur gevlogen worden. In dit hoofdstuk staan 17 vliegoefeningen die afgetekend moeten worden op de progressiekaart.

wetgeving
AMC1 SFCL.330(b) (b)(2)(I,v)

b) INHOUD

...

  1. DEEL 2 — VLIEGINSTRUCTIE
    Deel 2 omvat de training zoals beschreven in punt SFCL.330(b)(1)(iv) [→ minstens 6 uur (max 3 uur op TMG) of 20 starts vlieginstructie] en, indien van toepassing, punt SFCL.330(b)(2) [→ aanvullende TMG-bevoegdheden].
  1. Algemeen
  1. De vliegoefeningen zijn vergelijkbaar aan het SPL-trainingsprogramma, maar uitgebreid met onderdelen die nodig zijn voor een instructeur.
  2. De nummering van de vliegoefeningen dient in eerste instantie als een referentielijst en als leidraad voor de instructie volgorde. Daarom hoeven de demo's en oefeningen niet persé in de genummerde volgorde te worden uitgevoerd. De werkelijke volgorde en inhoud hangt af van de volgende factoren:
  1. de voortgang en vaardigheid van de kandidaat-instructeur;
  2. de weersomstandigheden tijdens de vlucht;
  3. de beschikbare vluchtduur;
  4. instructie technische overwegingen;
  5. de lokalen omstandigheden; en
  6. de uitvoerbaarheid van de oefening op het vliegtuigtype.
  1. Naar het oordeel van de instructeurs kunnen oefeningen worden gecombineerd of over meerdere vluchten worden verdeeld.
  2. Kandidaat-instructeurs worden uiteindelijk geconfronteerd met onderling samenhangende factoren. Het moet aan ze worden getoond en worden geleerd hoe lesplannen te maken, rekening houdend met deze factoren, dat onderdelen van oefeningen gecombineerd kunnen worden, zodat het meeste uit de lesvlucht gehaald wordt.

...

  1. Uitgebreide briefings en vliegoefeningen [→ die worden beschreven in de paragrafen 2.6.1 t/m 2.6.17]
richtlijnen
AMC1 SFCL.325

De kandidaat-instructeur dient beoordeelt te worden aan de hand van de competenties die behandeld zijn in [→ 2.5.1 Workshops instructietechniek]. Zodra de kandidaat-instructeur een bepaalde competentie voldoende beheerst, dient die competentie te worden afgetekend op de progressiekaart.

Deze richtlijn komt voort uit AMC1 SFCL.325 en staat beschreven in paragraaf [→ 2.2 Opleidingsdoelen en competenties].

tips & adviezen

Vlieginstructie met FIFI

De praktijkopleiding bestaat uit instructievluchten met vliegoefeningen die door de wetgever zijn voorgeschreven.

Nadat de betreffende oefening door de FIFI als voldoende is beoordeeld, wordt deze door de FIFI op de progressiekaart afgetekend. Als globale richtlijn kan worden aangehouden dat voor de volledige opleiding ca. 30 instructievluchten nodig zullen zijn, mede afhankelijk van de ervaring, achtergrond en vaardigheden van de kandidaat-instructeur.

Simulator (indien beschikbaar in de DTO)

Een simulator kan worden gebruikt om vliegoefeningen te oefenen. In het echt is niet elke zweefvlucht lang, waardoor er tijdsdruk met lesgeven kan ontstaan. Een simulator is ideaal om die tijdsdruk, maar ook verschillende weerssituaties te oefenen. Als een simulator niet is goedgekeurd door de autoriteiten, dan mogen die vluchten niet meetellen in de starts/uren eis.

Korte veldbriefing (short briefing)

wetgeving
AMC1 SFCL.330(b) (b)(2)(ii)
  1. Briefings en debriefings
  1. De briefing bevat normaliter een vermelding van het doel en een korte uitleg van het basisprincipes van het vliegen (alleen indien relevant). Er moet een uitleg worden gegeven over eigenlijk welke vliegoefeningen de instructeur gaat onderwijzen en de SPL-leerling gaat oefenen tijdens de vlucht. Het moet bevatten hoe de vlucht wordt uitgevoerd met betrekking tot wie vliegt en welke vliegerschap-, weer- en vliegveiligheidaspecten op dat moment van toepassing zijn. De aart van de les bepaalt in welke volgorde de betreffende onderdelen worden onderwezen.
  2. De vijf basisonderdelen van een briefing bestaan uit:
  1. het doel;
  2. de vliegoefening(en) (wat, hoe en door wie);
  3. bespreking van de vlucht;
  4. controle van begrip; en
  5. vliegerschap.
  1. Na elke oefening brieft de kandidaat-instructeur de FIFI dat de rol van een SPL-leerling heeft. In de debriefing wordt beoordeeld:
  1. of de doelen zijn bereikt;
  2. of de fouten groot of klein zijn;
  3. wat kan worden gecorrigeerd of verbeterd; en
  4. of de SPL-leerling het behaalde competentieniveau heeft gehaald of dat de oefening nog een keer gedaan moet worden.

De FIFI beoordeelt de debriefing.

tips & adviezen

De briefing gebeurt voor de vlucht. Zorg dat de SPL-leerling eerst de pedalen heeft afgesteld en zijn riemen vastgemaakt heeft, zodat zijn aandacht zich volledig op de briefing kan richten.

Vraag om te beginnen naar de vorige vluchten en sluit daaropaan.

De briefing voor de eerste vlucht van een bepaalde les begint met het noemen van de inhoud van de les. Het Handboek Zweefvlieginstructeur is daarbij een goede hulp. Er wordt bij elke oefening in de volgende paragrafen verwezen naar dit handboek. Behandel systematisch de punten die in het Handboek Zweefvlieginstructeur bij de bewuste les worden genoemd. De eerste briefing van een bepaald onderwerp is belangrijk. Als je daarin een punt vergeet kan het vele vluchten duren voordat zo'n vergeten punt bijgespijkerd is. Vat daarna de gehele briefing zeer kort en krachtig samen, bij voorkeur in drie hoofdpunten.

Bij veel briefings worden in eerste instantie punten weggelaten om de briefing behapbaar te houden (kabelbreuk, zijwind), noem deze. Laat een SPL-leerling in zijn logboekje vermelden dat hij een bepaalde briefing heeft gehad, vooral als daarvan elementen nog niet behandeld zijn.

Zitplaatsverdeling

  • Kandidaat-instructeur op de instructeurszitplaats
  • FIFI op de zitplaats van de SPL-leerling
wetgeving
AMC1 SFCL.330(b) (b)(2)(iii-iv)
  1. Planning van de vlieglessen
    Het maken van een lesplan is een essentiële voorwaarde van goed instructie geven en de kandidaat-instructeur wordt onder begeleiding getraind in de ontwikkeling en praktische uitvoering van de vlieglesplannen.
  2. Algemene overwegingen
  1. De kandidaat-instructeur moet de vliegtraining afronden om zo de basisprincipes van instructiegeven op SPL-niveau te oefenen. De kandidaat-instructeur zit op de instructeursstoel tijdens de training.
  2. De instructeur die de instructietraining geeft neemt gewoonlijk de rol van een SPL-leerling aan.
  3. Het moet worden opgemerkt dat vliegerschap een cruciaal onderdeel van het hele vliegbedrijf is. Daarom moeten, in de volgende vliegoefeningen, de relevante aspecten van vliegerschap worden benadrukt op geschikte momenten tijdens elke vlucht.
  4. De kandidaat-instructeur moet leren en wordt daar elke keer op gewezen, hoe hij veelgemaakte fouten kan identificeren en hoe deze correct te corrigeren.
tips & adviezen

Vlieginstructie met FIFI

Het onderricht in de vliegoefeningen vindt plaats door middel van instructievluchten waarbij de begeleidende FIFI de rol van SPL-leerling vervult en/of de oefeningen demonstreert aan de kandidaat-instructeur. Hierbij vliegt de kandidaat-instructeur vanaf de zitplaats voor de instructeur.

Referentieschema verloop EVO-opleiding

tips & adviezen

de “gemiddelde” SPL-leerling. Daarvoor kan het onderstaande overzicht als globale leidraad worden gebruikt:

StartOefening
start 1Kennismakingsvlucht
start 2Cockpit check, werking stuurorganen; rechtuit vliegen, uitleg gebruik trim en dat het vliegtuig zichzelf min of meer vliegt
start 3Neveneffecten + haakeffect
start 4Normale rechtlijnige vlucht, normale bochten, uitkijken. Start vanaf ca. 50 meter
start 5Normale bochten, rechtuit vliegen met zijwind, (circuit uitleg)
start 6-7Idem, circuit uitleg
start 8Start vanaf de grond, plus herhaling start 2-7
start 9Wisselbochten en voorgaande oefeningen
start 10-13Al het voorgaande, verbetering coördinatie en uitkijken; vluchtplanning door SPL-leerling
start 12Uitleg en demo landing (matige SPL-leerling vanaf ca. start 16)
start 13Zelf landen met mondelinge hulp van instructeur
start 13-20Verfijning van alles, zoals coördinatie, opstuurhoek op circuit, uitkijken, vluchtplanning, wisselbochten etc.
start 20-35Slipvlucht (evt. met kleppen), overtrek, thermiekvliegen en aansluiten, oefening negatieve G, oefening ongewone vliegstanden
start 25-30Eerste oefening kabelbreuk boven 80 / 100 m
start 30-40Herhaalde oefening kabelbreuk (onverwacht)
start 35-45Oefening geïmproviseerd circuit
start 35-100Alles verfijnen en op solo-standaard brengen