Ga naar hoofdinhoud

2.6.8 Bochten

wetgeving
AMC1 SFCL.330(b) (b)(2)(v) Oefening 8

Oefening 8: Bochten

  1. Doel
    De kandidaat-instructeur adviseren over hoe SPL-leerlingen moeten worden getraind om bochten te draaien en te cirkelen met een gematigde constante hellingshoek van ongeveer 30° met een constante neusstand (snelheid) gecoördineerd te vliegen. Bovendien moet de kandidaat-instructeur leren hoe hij fouten van SPL-leerlingen kan identificeren en hoe deze correct te corrigeren.
  2. Briefing
    De kandidaat-instructeur legt uit:
  1. de krachten op een zweefvliegtuig tijdens een bocht;
  2. de noodzaak om uit te kijken voor het inzetten van een bocht;
  3. de onderdelen van een bocht (inzetten, stabiliseren en eruit halen);
  4. de gebruikelijke fouten bij het maken van bochten;
  5. hoe te draaien naar geselecteerde koersen met behulp van een kompas; en
  6. het gebruik van instrumenten (slipkogel of piefje) om gecoördineerd te vliegen.
  1. Vliegoefening
    De kandidaat-instructeur moet demonstreren:
  1. de uitkijkprocedure voor het inzetten van een bocht;
  2. het inzetten van een bocht (corrigeren van het haakeffect);
  3. de bocht stabiel houden (neusstand vasthouden en het tegengaan van rolneiging);
  4. het eruit halen van een bocht;
  5. de meest gemaakte fouten in een bocht;
  6. het maken van bochten naar geselecteerde koersen (gebruik grondkenmerken als referentie);
  7. het gebruik van instrumenten (slipkogel of piefje) om gecoördineerd te vliegen;
  8. hoe de SPL-leerling te adviseren om bochten met een gematigde hellingshoek te vliegen; en
  9. hoe, indien nodig, fouten te herkennen en te corrigeren.
  1. Debriefing
tips & adviezen

Handboek Zweefvlieginstructeur [→ zie 1.3 Instructiemateriaal]

  • EVO Oefening 6 "Bochten en Kijkprocedure"

Zweefvliegopleiding.nl

  • EVO 4.8 Bochten maken
  • EVO 4.9 Wisselbochten
EVO Oefening 6 — Bochten en Kijkprocedure
tips & adviezen

EVO Oefening 6 — Bochten en Kijkprocedure

Theoretische Kennis EVO 4.7
Instructie Zweefvliegen 3.2, 3.3 en 4.9

Briefing

Uitkijkbriefing
  • Scantechniek.
  • Waarom uitkijken belangrijk is, zeker bij/in een bocht.
Bochtenbriefing
  • Begrippencheck: haakeffect en neveneffecten, effect van de neusstand en ligging oefengebied bekend?
  • Eerst uitkijken naar kant van de vleugel die omhoog komt en dan verder naar de andere kant scannen.
  • Voor je kijken en met knuppel en voeten bocht inzetten.
  • Helling en neusstand constant houden, gecoördineerd vliegen en om je heen kijken.
  • Weer voor je kijken en met knuppel en voeten gecoördineerd weer recht leggen.

Vlucht

  • Demonstratie van een bocht.
  • Leerling zelf laten doen. Niet te steil laten worden (max ca. 30 graden).

Debriefing

  • Kijken bij het maken van bochten uitleggen: scan de horizon. Dus in de bocht rondom naar de horizon kijken en niet naar de tip beneden; het gevaar komt van de horizon.
  • Gemaakte fouten bij inzetten en uitrollen van de bocht.
  • Uitleggen waarom in de bocht knuppel tegen en voeten mee gegeven moet worden. (bocht wordt steeds steiler).

Achtergronden

Waarom moet er een beetje getrokken worden in de bocht en een beetje voeten erin?

Observatie

  • Het maken van bochten naar andere kisten toe ipv er vandaan.
  • Te langzaam vliegen in bochten, op circuit en in de thermiek, snelheid controleren.
  • Niet uitkijken tijdens rechtlijnige vlucht.
  • Niet voldoende trekken in de bocht en knuppel vieren bij beëindigen bocht.
  • Aandacht voor stand stuurknuppel en voetenwerk in de bocht.

Voorbeeldbriefing

Een bocht ontstaat door een beweging van de stuurknuppel naar links of naar rechts en voetenstuur. De kist blijft draaien zolang hij helling heeft. Om dit gecoördineerd te doen moet tegelijk een draaiing om de topas worden gemaakt.

Tijdens het maken van een bocht moet er veel gekeken worden, om twee redenen: om niet tegen een andere kist op te botsen en om de stand van het vliegtuig te controleren. Het eerste doe je door om je heen te kijken, met name naar de horizon, want daar zie je andere kisten die ongeveer even hoog vliegen als jijzelf. Het tweede doe je door voor je te kijken, naar hoe de horizon zich op de kap aftekent.

Hoe maak je nu een bocht?Het ingaan.

A. EERST kijken, vooral in de richting waar je heen gaat draaien. Maar begin met naar de tegengestelde richting te kijken. (EVO 3e druk blz. 48)

B. Dan weer VOOR je kijken naar de horizon en om dwarshelling te krijgen enkele seconden rolroeruitslag geven, maar daarna moet de knuppel weer terug naar het midden, anders rol je door!

Om het haakeffect te compenseren moet tegelijk met de knuppeluitslag voeten gegeven worden, zoveel als nodig om de neus in de bochtrichting langs de horizon te laten bewegen. Draaiing om de topas is essentieel. Het zal blijken dat in de bocht er een heel klein beetje voeten in moet worden gehouden, maar: voeten is hulp, dwarshelling is oorzaak van de bocht!

Het zal blijken dat de neus bij het ingaan van de bocht de neiging heeft te zakken, dan moet er dus een beetje getrokken worden.

C. Tijdens de bocht dwarshelling constant houden (meestal is daarvoor een beetje tegenknuppel nodig) en tegelijk de neusstand goed houden. Om dwarshelling en neusstand goed in de gaten te kunnen houden MOET je voor je kijken. Om andere kisten in de gaten houden moet je regelmatig om je heen kijken maar in elk geval bij elke 90 graden richtingverandering.

Het eruit halen.

A. Eerst bepalen van het punt waarop je de bocht beëindigd wilt hebben. UITKIJKEN.

B. Dan weer VOOR je kijken. Dan knuppel en voeten tot de kist weer horizontaal is. Je maakt in feite een bocht de andere kant op tot je vleugels weer horizontaal liggen. Even voor het richtpunt moet al begonnen worden met het eruit halen. Anders ga je er voorbij.

Bij het uit de bocht halen lijkt voeten veel en knuppel weinig, want er was nog voeten mee en de knuppel was al tegen.

Bij het uitgaan zal de neus de neiging hebben omhoog te komen, dan moet de knuppel dus weer iets naar voren.

Bij het uitrollen van de bocht kijkt de leerling dus weer naar voren.

Kijken bij het maken van bochten

Op de juiste wijze leren kijken bij bochten is om twee redenen van groot belang:

Veiligheid vereist dit. Je gaat van richting veranderen en moet dus weten of dat veilig kan. Nadat je meer dan 90 graden van richting bent veranderd vlieg je in een richting die nog niet vooraf is bekeken. Er MOET dan dus weer opnieuw worden gekeken.

Ook het naar voren kijken bij het insturen van de bocht is belangrijk. Je ziet voor je immers het meest duidelijke van de drie elementen van een bocht, t.w. snelheid, hellingshoek en beweging langs de horizon (slippen/schuiven) veel duidelijker dan als je opzij kijkt. De ervaring leert dat een leerling die heeft geleerd consequent voor zich te kijken als hij een bocht inzet veel sneller een goede bocht leert te vliegen en de juiste uitslagen van de stuurorganen te doen. Ook bij het uitrollen is uitkijken van belang.

Uitkijken tijdens de vlucht

Vanaf deze les dient de leerling het 'kijken' te ontwikkelen, niet alleen bij bochten maar ook in rechtlijnige vlucht. Vertel de leerling hoe hij moet kijken en waar. In EVO 3e druk staat op blz 30 hfst 4.0 een scan techniek. Let vanaf nu bij elke vlucht op het uitkijken van de leerling en wijs hem telkens terecht als hij onvoldoende kijkt.

Het gebruik van het piefje

Onderwijzen van de juiste werking van het piefje en het gebruik hiervan is verleidelijk tijdens het aanleren van de bocht. Doe dit gedoseerd. Hier veel nadruk op te leggen kan als gevolg hebben, dat de aandacht van de leerling dan te veel op het piefje wordt gevestigd. Belangrijker zijn de juiste stuurbewegingen (stuurknuppel naar links of rechts en voeten mee) en kijkprocedure aan te leren. In het algemeen is het serieus bezig zijn met het piefje pas interessant als de leerling begint netjes te vliegen. Daar is hij nu nog niet aan toe.