2.6.9 Langzaam vliegen en Overtrek
Oefening 9a: Langzaam vliegen
- Doel
De kandidaat-instructeur adviseren over hoe het vermogen van een SPL-leerling te verbeteren om een onopzettelijke vlucht op kritiek lage snelheden (hoge invalshoek) te herkennen en hoe het zweefvliegtuig onder controle gehouden kan worden terwijl er naar een normale neusstand (snelheid) terug wordt gegaan. Bovendien moet de kandidaat-instructeur leren hoe hij fouten van SPL-leerling kan identificeren en hoe deze correct te corrigeren. - Briefing
De kandidaat-instructeur legt uit:
- de eigenschappen van langzaam vliegen; en
- het risico van overtrekken.
- Vliegoefening
Voordat de oefening wordt gestart, moet de kandidaat-instructeur controleren of het luchtruim onder het zweefvliegtuig vrij van andere vliegtuigen is.
De kandidaat-instructeur moet demonstreren:
- een gecontroleerde vlucht tot de kritische hoge invalshoek (lage vliegsnelheid), en de SPL-leerling wijzen op de hoge neusstand, vermindering van het geluid, verlaging van de snelheid;
- een terugkeer naar een de normale neusstand (snelheid);
- hoe de SPL-leerling te adviseren om een onopzettelijke vlucht op kritiek lage snelheid te herkennen;
- hoe het zweefvliegtuig onder controle gehouden kan worden terwijl er naar een normale neusstand (snelheid) terug wordt gegaan; en
- hoe, indien nodig, fouten te herkennen en te corrigeren.
- Debriefing
Handboek Zweefvlieginstructeur [→ zie 1.3 Instructiemateriaal]
- VVO Oefening 2 "Langzaam en snel vliegen en overtrek"
Zweefvliegopleiding.nl
- VVO 4.2 Langzaam en snel vliegen
VVO Oefening 2 — Langzaam en snel vliegen en overtrek
VVO Oefening 2 — Langzaam en snel vliegen en overtrek
Theoretische kennis EVO 4.0, 4.5 en 4.6
Instructie Zweefvliegen 4.8, 3.2 en 3.3
Briefing
Vraag aan de leerling extra aandacht voor het rustig uitvoeren van de overtrek zodat de overtrekverschijnselen goed kunnen worden waargenomen en later tijdens zijn zweefvliegcarrière kunnen worden herkend. Leg de leerling uit dat dit ook belangrijk is wanneer hij in de toekomst op nieuwe types zweefvliegtuigen gaat vliegen. Als extra kan de overtrek ook worden opgezocht bij het vliegen van bochten. Als basis voor het leren kennen van een ander vliegtuig is het vooral belangrijk om te ervaren hoe (kritisch) een zweefvliegtuigtype zich gedraagt in de buurt van de overtreksnelheid in de thermiek, waarbij de turbulentie van de thermiek de overtrek kan versnellen of voor asymmetrie kan zorgen.
Vertel de leerling welke uitkijkprocedures worden gevolgd voordat aan de oefening wordt begonnen. Leg uit dat de essentie van de overtrekoefeningen vooral is, dat de vlieger de verschijnselen rond de overtrek leert herkennen. Geef aan dat het vieren van de knuppel dikwijls (volledig) voldoende is om een beginnende overtrek te herstellen. Kordaat en snel reageren met matige uitslagen is belangrijk en meestal meer dan voldoende. Wijs op belang van de trimwerking, tijdens thermieken en steken.
Vlucht
Afhankelijk van de omstandigheden is deze oefening te combineren met enkele van de oefeningen 1 t/m 6.
Debriefing
Wijs bij asymmetrische overtrek of beginnende vrille op het belang van tegenvoeten om de draaiing van het vliegtuig te stoppen en dat de knuppel rustig gevierd moet worden tot de neutrale stand.
Oefening 9b: Overtrek
- Doel
De kandidaat-instructeur adviseren over hoe het vermogen van een SPL-leerling te verbeteren om een overtrek te herkennen en te herstellen. Dit omvat overtrekken vanuit rechtlijnige vlucht en overtrekken waarbij een vleugel wegvalt. Bovendien moet de kandidaat-instructeur leren hoe hij fouten van SPL-leerlingen kan identificeren en hoe deze correct te corrigeren. - Briefing
De kandidaat-instructeur legt uit:
- de werking van een overtrek;
- de effectiviteit van de stuurorganen tijdens een overtrek;
- overtrek waarschuwingssignalen, herkenning en herstel;
- factoren die de overtrek beïnvloeden (het belang van de invalshoek en overtrek bij hoge snelheid);
- het effect van flaps indien het op een zweefvliegtuig aanwezig is;
- het effect van een verkeerd zwaartepunt bij de overtrek-veiligheidsprocedures;
- overtrek symptomen, herkenning en herstel;
- herstel als een vleugel wegvalt; en
- dreigende overtrek tijdens de eindnadering en in landingsconfiguraties;
- herkenning en herstel van overtrek bij hoge snelheden.
- Vliegoefening
Voordat de oefening wordt gestart, moet de kandidaat-instructeur controleren of het luchtruim onder het zweefvliegtuig vrij van andere vliegtuigen is.
De kandidaat-instructeur moet demonstreren:
- overtrek vanuit een rechtlijnige vlucht;
- overtrek waarschuwingssignalen, herkenning en herstel;
- overtrek symptomen, herkenning en herstel;
- herstel als een vleugel wegvalt;
- dreigende overtrek tijdens de eindnadering en in landingsconfiguraties;
- herkenning en herstel van overtrek bij hoge snelheden;
- overtrekken en herstel in de beginnende fase met door de instructeur veroorzaakte afleidingen;
- het vermogen van een SPL-leerling te verbeteren om een overtrek te herkennen en te herstellen;
- hoe, indien nodig, fouten te herkennen en te corrigeren.
Opmerking: Er moet rekening gehouden worden met de manoeuvreerlimieten en referenties uit het vlieghandboek* met betrekking tot de zwaartepuntslimieten. De minimale veilige vlieghoogte voor het starten van zulke oefeningen moet in de veiligheidscontroles worden meegenomen, zodat er voldoende marge is voor een veilig herstel. Indien het vlieghandboek* specifieke procedures voor overtrek- of vrilleoefeningen bevatten (inclusief herstelprocedures), dan moeten die in overweging worden genomen. Deze elementen worden ook behandeld in de volgende oefening [→ 2.6.10 Vrille (tolvlucht)].
* of een gelijkwaardig document (bijvoorbeeld het "owner's manual" of "pilot's operating handbook (POH)")
- Debriefing
Handboek Zweefvlieginstructeur [→ zie 1.3 Instructiemateriaal]
- EVO Oefening 16 "Oefening symmetrische overtrek"
Zweefvliegopleiding.nl
- EVO 4.21 Langzaam vliegen, overtrekken
- VVO 4 Massa en zwaartepunt
- VVO 4.2 Langzaam en snel vliegen
EVO Oefening 16 — Oefening symmetrische overtrek
EVO Oefening 16 — Oefening symmetrische overtrek
Theoretische Kennis EVO 4.18
Instructie Zweefvliegen 4.12
Overtrekoefeningen pas doen met leerlingen die zoveel vluchten hebben gemaakt dat ze enig vertrouwen hebben gekregen dat een zweefvliegtuig niet bij het minste of geringste uit de lucht valt. Dit duurt bij de een langer dan bij de ander. Vrijwel iedere beginner heeft onbewust aanvankelijk enige angst voor het vliegen. Te vroeg overtrekoefeningen doen wakkert deze angst eerder aan dan dat het deze doet verdwijnen. Doe zeker geen overtrekoefeningen met een prille leerling na een (vermoeiende) thermiekvlucht, hoe verleidelijk dat ook is om snel hoogte te verliezen. De reactie van de leerling bij de BOKS(T) als dat negatieve–G-reacties geeft en tijdens de negatieve-G-oefening is een goede indicator voor hoe het met zijn low-G- angst gesteld is.
P.S. Een minder angstwekkende oefening waarbij snel hoogte verloren wordt is de kleppen in en uit laten doen met constant houden van de snelheid (niet bij overtreksnelheid).
Briefing
- Draagkracht.
- Invalshoek.
- Overtrek.
- Verschil instelhoek van vleugel en stabilo.
- Tekenen van overtrek.
- Herstel van de overtrek.
Vlucht
Geadviseerde minimum hoogte voor een overtrekoefening: 300 meter. Controleer of de riemen goed vast zitten (riemen extra strak), of er geen losse voorwerpen in de kist zitten en of een lichte leerling z'n lood bij zich heeft. Afgetrimd voor normale vlucht. Eerst een rondje draaien om te zien of er geen andere kisten onder je zitten of naar je toe aan het steken zijn. Kijk ook even goed waar je bent. Niet boven bebouwde kom, mensenmenigte. Niet tegen de zon in (i.v.m. vaak slechter zicht) en niet boven open water. Leerling vertellen dat dit de zgn. voorgeschreven handelingen zijn. Vlieghandboek kennen, dan eerst binnen:geen losse voorwerpen, riemen natrekken. Dan buiten:APOS* (Altitude, Position, Orientation, Sky-free). Dan milde overtrek demonstreren, wijzen op geluidsafname, zakvlucht en trillen. Leerling zelf laten herhalen en wijzen op slappe roeren. Afhankelijk van de reactie van de leerling wat sterkere overtreks maken of deze uitstellen naar later.
*SAPO is misschien handiger, aangezien verkenningsbochten bij zweefvliegtuigen lang duren en zich met andere punten laten combineren
Debriefing
Erop wijzen dat de leerling bij toekomstige overtrekoefeningen altijd de voorgeschreven handelingen moet verrichten. Verder erop wijzen dat de overtrek-invalshoek bij een normale rechtuitvlucht bij een bepaalde snelheid optreedt, de zgn overtreksnelheid. Echter ook bij andere snelheden kan een te grote invalshoek ontstaan: aan de lier, in steile bochten, bij het invliegen van de thermiek, door een hogere vleugelbelasting (gewicht) en water en vuil op de vleugels (accelerated stall).
Achtergronden
Doel van de wrong in de vleugel bij de meeste vliegtuigen.
Observatie
- Geen voorgeschreven handelingen doen.
- Vleugel laten vallen.
- Te laag uitvoeren.
- Onjuiste correctie.
Voorbeeldbriefing
Een vleugel levert draagkracht ("lift") doordat deze de luchtstroom afbuigt naar beneden. Zowel de lucht die onder de vleugel door gaat als de lucht die over de vleugel heen gaat wordt afgebogen. Hoeveel de luchtstroom afbuigt hangt af van de hoek die de vleugel met de aanstromende lucht maakt. Deze hoek wordt invalshoek genoemd. Tot op zekere hoogte geldt: hoe groter die hoek, hoe meer de luchtstroom wordt afgebogen, hoe groter de lift. Helaas, als de invalshoek te groot wordt, kan de lucht die over de vleugel heen gaat de richtingsverandering niet meer volgen. In plaats van afgebogen te worden dwarrelt en wervelt deze lucht min of meer zonder richtingsverandering over de vleugel heen. (Dit wordt turbulente stroming genoemd.) In die situatie is de draagkracht van de vleugel een stuk minder en de vleugel zal wegvallen. Zo'n grote invalshoek ontstaat onder meer door overmatig trekken en het bovenbeschrevene wordt daarom overtrekken genoemd.
Bij vliegtuigen zijn de vleugels met een grotere instelhoek (hoek vleugelkoorde met de langsas) gemonteerd dan het stabilo. Daardoor ontstaat de overtrek voor de hoofdvleugel eerder dan voor het stabilo. Als de hoofdvleugel overtrekt en wegvalt, vliegt het stabilo nog. Hierdoor wordt de invalshoek van de hoofdvleugel weer kleiner en gaat de stroming over vleugel de vorm van de vleugel weer volgen. Door de verlaging van de neusstand gaat bovendien de snelheid oplopen. Een zweefvliegtuig heeft dus een zelfherstellend vermogen. De overtrek is echter niet ongevaarlijk, omdat de hele manoeuvre tenminste ongeveer 50 meter hoogte kost. Laag bij de grond of vlak boven een andere kist in een thermiekbel mag dat niet voorkomen. Bovendien bestaat het gevaar dat een van beide vleugels eerder overtrekt dan de andere, waardoor een vrille kan ontstaan, waarbij nog veel meer dan 50 meter hoogte verloren kan worden. Doel van deze les is te leren de overtrek aan te voelen komen, de overtrek zelf mee te maken en te leren de overtrek te herstellen.
Een beginnende overtrek is te herkennen aan:
- Trillen en schudden van de kist (niet bij alle kisten even duidelijk) als gevolg van het dwarrelen en wervelen van de lucht over de vleugel.
- Snelheidsafname door de neushoge stand en daarmee samenhangende afname van het vlieggeluid.
- Verminderde rolroerwerking als gevolg van de snelheidsafname en doordat, door wrong beïnvloed, de rolroeren in de turbulente luchtstroom minder effect hebben.
Als de overtrek optreedt gaat het vliegtuig over in een zakvlucht (gedeeltelijke overtrek); de variometer wijst versterkt dalen aan.
Bij een sterke overtrek valt de neus weg zoals boven beschreven. Hiermee gaat een onaangenaam gevoel van gewichtloosheid gepaard, dat evenwel meteen weer verdwijnt als de overtrek hersteld is.
De herstelprocedure is:
- Knuppel vlot naar voren om de invalshoek te verkleinen. Hierdoor gaat de neus omlaag en begint de snelheid toe te nemen; tevens herstelt zich de normale luchtstroming.
- Na controle van de snelheid de kist vlot maar beheerst optrekken naar een normale neusstand.
Oefen ook de bijna-overtrek met minimaal hoogteverlies.