Ga naar hoofdinhoud

2.6.12 Circuit, nadering en landing

wetgeving
AMC1 SFCL.330(b) (b)(2)(v) Oefening 12

Oefening 12: Circuit, nadering en landing

  1. Doel
    De kandidaat-instructeur adviseren over hoe de SPL-leerling te onderwijzen om een circuit, nadering en landing met een zweefvliegtuig veilig te vliegen. Bovendien moet de kandidaat-instructeur leren hoe hij fouten van SPL-leerlingen kan identificeren en hoe deze correct te corrigeren.
  2. Briefing
    De kandidaat-instructeur legt uit:
  1. de procedures om aan te sluiten op het circuit;
  2. de procedures om botsingen te vermijden en uitkijktechnieken;
  3. de controles voor de landing;
  4. de normale circuit procedures, rugwindbeen, basisbeen;
  5. het effect van wind op de naderings- en landingssnelheid;
  6. het kiezen van een richtpunt;
  7. het sturen op final en het gebruik van de remkleppen;
  8. het gebruik van flaps (indien van toepassing); en
  9. de procedures voor een nadering en landing met normale en zijwind.
  1. Vliegoefening
    De kandidaat-instructeur moet demonstreren:
  1. de procedures om aan te sluiten op het circuit;
  2. de procedures om botsingen te vermijden en uitkijktechnieken;
  3. de controles voor de landing;
  4. het standaardcircuit en de planning in onvoorziene omstandigheden (bijvoorbeeld, bij te weinig hoogte);
  5. het effect van wind op de naderings- en landingssnelheid;
  6. het kiezen van een richtpunt;
  7. het sturen op final en het gebruik van de remkleppen;
  8. het gebruik van flaps (indien van toepassing); en
  9. de procedures voor een nadering en landing met normale en zijwind;
  10. hoe hij/zij de SPL-leerling leert om een veilig circuit te vliegen;
  11. hoe hij/zij de SPL-leerling traint om een veilige landing te maken; en
  12. hoe, indien nodig, fouten te herkennen en te corrigeren.
  1. Debriefing
tips & adviezen

Zweefvliegopleiding.nl

  • EVO 4.10 Het zweefvliegcircuit
  • EVO 4.11 Circuit met harde wind
  • EVO 4.12 Circuit met zijwind
  • EVO 4.17 De landing
  • EVO 4.18 Landing met zijwind
  • EVO 4.19 Landing met krachtige wind
  • VVO 4.5 Doellanden
  • VVO 4.6 Doellanden met zijwind
  • VVO 4.11 Vliegen met flaps
EVO Oefening 10 — Het standaardcircuit

Bron: Handboek Zweefvlieginstructeur [→ zie 1.2 Instructiemateriaal]

tips & adviezen

EVO Oefening 10 — Het standaardcircuit

Theoretische kennis EVO 4.9A
Instructie Zweefvliegen 4.16 en 4.17

Briefing

  • Functie van het circuit uitleggen.
  • Onderdelen van het circuit uitleggen: oriënteren aan startplaats en lierbaan.
  • Plannen van het circuit begint op 250 meter aansluitend op de vluchtplanning.
  • Aanknopingspunt op 200 meter aanvliegen (of lokaal anders bepaalde hoogte) en ligt op een half lierpad ofwel 500 meter naast de lier.
  • Snelheid op circuit is meestal gelijk aan de normale landingssnelheid, er kunnen afwijkende afspraken zijn gemaakt op een veld. Snelheid op final zoals in het handboek staat (doorgaans gele driehoek op snelheidsmeter), vooral niet daaronder.
  • Downwindchecks: W(WWW)+S+T).
  • Alle observaties/beslissingen/checks op circuit hardop zeggen.
  • De drie circuitbenen uitleggen en de beslissingen.
  • Basisbeen is "regelbeen". Dit deel van het circuit wordt gebruikt om eventueel ook al hoogte te regelen/corrigeren met kleppen, of door juist geen kleppen te gebruiken.
  • Uitleggen dat het circuit geen doel op zich is, maar een middel.
  • Landingsbriefing volgende les.

Vlucht

  • Leerling vluchtplanning laten doen, daarbij rekening laten houden met omstandigheden.
  • Leerling vanaf 250 meter circuit laten plannen.
  • Op de juiste hoogte op circuit gaan.
  • Leerling alle beslissingen op circuit en downwindchecks W(WWW)+S+T hardop laten zeggen. Circuit laten afvliegen, eventueel op rugwindbeen instrueren om op te sturen.
  • Leerling niet te ver van het ideale circuit laten afwijken, daar leert hij niet veel van.
  • Controleren of de leerling zich oriënteert op het veld, aanwijzingen ook geven t.o.v. het veld, niet aan sloten of wegen refereren.
  • Voldoende snelheid en gecoördineerd vliegen in laatste bocht.
  • Eventueel ingrijpen voor de landing, anders binnenpraten.
  • Klepgebruik bij de landing gebeurt bij voorkeur onder mondelinge begeleiding. Pas na een aantal landingen door de leerling volledig zelf.

Debriefing

  • Op juiste hoogte op circuit gegaan.
  • Juist getrimd vliegen.
  • Rugwindbeen parallel aan landingsbaan/-richting.
  • Circuit afkijken naar andere vliegtuigen.
  • Voorlopige landingsveldkeuze bepaalt het indraaipunt op het basisbeen.
  • Neusstand in de bochten.
  • Horizon komt steeds hoger in de kap (lagere neusstand). Check de snelheid.
  • Laatste bocht geen schuivende bocht maken.
  • Beslissingen op circuit hardop melden aan de instructeur.
  • Bijzonderheden.

Achtergronden

Veel leerlingen kijken op circuit te veel naar de grond en het veld. Men kan ineens geen normale bochten meer vliegen, koersvliegen en de snelheid constant houden. Laat de leerling sturen aan de hand van de horizon.

Als er veel kisten voor je op circuit zijn eventueel wat eerder naar basisbeen draaien, zodat je over ze heen kunt landen, maar snij ze niet de pas af.

De circuitbriefing bevat heel veel informatie en aandachtspunten en moet daarom meerdere malen worden herhaald. Probeer niet in één briefing alles uit te leggen. Geef de eerste keer een briefing van het circuit op hoofdlijnen. In latere briefings kun je meer details geven.

Observatie

  • Te vroeg/laat op circuit gegaan.
  • Te laag of te hoog.
  • Te snel of te langzaam.
  • Te laat of te vroeg ingedraaid.
  • Te ver of te dicht bij het veld.
  • Thermieken in het circuit.
  • Niet voldoende uitkijken/kijken naar de vleugeltippen.
  • Anderen hinderen, te vroeg indraaien.
  • Downwindchecks niet bewust uitgevoerd.

Voorbeeldbriefing

De functie van het circuit is drieledig:

  • verkeersleidingsaspect: Het gedrag van de kisten wordt voorspelbaar (vandaar allemaal ongeveer dezelfde snelheid en nooit draaien in het circuit)
  • veiligheidsaspect: (hoogtecheck, downwindchecks) Bij problemen heb je marge door van het circuit af te wijken. Afwijkende circuits komen later aan bod.

Als derde functie kan planning genoemd worden als onderdeel van de eerste twee functies.

Het circuit is dus geen doel op zich, maar een middel om de vliegtuigen op een veilige manier te laten landen. Waar nodig zal er dus van af geweken moeten/kunnen worden.

De downwindchecks W(WWW)+S+T moeten hardop uitgesproken worden.

Oriëntatie van het standaardcircuit vindt plaats aan de hand van de startplaats en de lierbaan. Het circuit is rechthoekig en kent drie benen, het rugwindbeen, het basisbeen en de final. Het begin van het circuit noemen we het aanknopingspunt.

Om het circuit op 200 meter te kunnen beginnen moeten we ruim van tevoren al beginnen met het plannen van de vlucht. Vanaf 250 meter hoogte zit je in de buurt van het aanknopingspunt.

De snelheid op circuit is (meestal) de normale landingssnelheid. Op final mag de snelheid in geen geval lager zijn. Als het hard waait, dan moet de finalsnelheid hoger zijn (vuistregel: gele driehoek + ½ windsnelheid).

Er is een duidelijk probleem mogelijk met horizon houden en snelheid op circuit. Als je lager komt (onder de 200 à 250 meter) dan ga je goed merken dat de horizon hoger in de kap komt te staan. Realiseer je je dat niet, dan ga je op circuit alsmaar langzamer vliegen en snap je niet waar die afwijking vandaan komt. Dit kan gevaarlijk zijn, zeker als je in de laatste bocht en op final ook nog tegen een oplopend veld aankijkt. Check je snelheidsmeter.

Op het rugwindbeen moet je evenwijdig aan de lierbaan vliegen en goed op andere kisten voor je letten en kijken naar de omstandigheden op het veld in verband met de verwachte landingsruimte.

Ter hoogte van de startplaats maak je een voorlopige keuze van de landingsplaats en check je de hoogte. 150 meter hoog is goed bij een normaal circuit. Als je hoger of lager zit, dat heb je niet in de hand, het gaat erom wat je er vervolgens aan doet. Vanaf dit moment mag je niet meer op de hoogtemeter kijken. Je let op de verticale hoek waaronder je het veld ziet. Eigenlijk zou je je het hele circuit kunnen aanwennen om hoogte/afstand te schatten aan de hand van hoeken.

Als je op tenminste 150 meter zit vlieg je door op je rugwindbeen totdat je ongeveer 45 graden voorbij de gekozen landingplaats bent. Dan draai je in naar het basisbeen. (bij harde wind draai je eerder in). In elk geval nooit verder dan 45 graden voorbij de gekozen landingsplaats indraaien, tenzij er een vliegtuig direct voor je vliegt. In dat geval hierop anticiperen.

Het basisbeen vlieg je loodrecht op de baanrichting. Dat betekent dus dat je meestal moet opsturen naar de baan toe.

Zodra je op het basisbeen vliegt kijk je uit naar andere kisten; niemand bezig met een straight in? Of overlandvlieger van ander veld die procedures niet kent en circuit aan de verkeerde kant vliegt? Of motorkist? Of iemand die laag achter je op rugwind zit (b.v. na kabelbreuk). Je maakt nu je definitieve keuze van de landingsplek.

Het basisbeen is het regelbeen. Extra hoogte kan hier worden verminderd door gebruik van de kleppen en er kan meer naar het veld worden gestuurd als je te laag zit. (bij harde wind mag je hier ook je finalsnelheid al aannemen) (gele driehoek +1/2 windsnelheid)

Op het juiste moment indraaien naar final zodat je recht voor de landingsplek uitkomt met een normale bocht. Niet te steil en niet geschoven/geslipt.

In deze bocht snelheid niet laten zakken

Op final de snelheid extra checken (en voorzover nodig, de gewenste landingssnelheid gaan vliegen) en eventueel iets opsturen voor zijwind door koersverlegging. Dus vleugels horizontaal.

Op final zul je merken dat de neusstand zoals gezegd lager lijkt dan normaal. Je moet dus regelmatig je snelheidsmeter controleren. Op final doe je dat elke twee seconden. Verder is het belangrijk dat je goed je koers houdt. Dat kan alleen als je voor je kijkt naar de horizon. Verdeel dus je aandacht en kijk niet alleen naar het landingsveld.

Ik wil van je alle observaties en beslissingen/checks horen die je op circuit maakt. Die moet je dus luid opzeggen.

Vliegtuigen met betere glijhoeken nodigen uit tot ruimere circuits. Dat is niet de afspraak. Hou daar rekening mee. Zowel als vlieger in zo'n vliegtuig, als vlieger in een minder presterend toestel.

De landingsbriefing wordt in een van de volgende lessen gegeven.

EVO Oefening 12 — Het circuit met zijwind

Bron: Handboek Zweefvlieginstructeur [→ zie 1.2 Instructiemateriaal]

tips & adviezen

EVO Oefening 12 — Het circuit met zijwind

Theoretische kennis EVO 4.10 en 4.9B
Instructie Zweefvliegen 4.16 en 4.17

Briefing

  • Begrippencheck: kennis normaal circuit en grondkoers/luchtkoers.
  • Refereer aan het begin van de briefing aan de zijwind op het basisbeen van een standaard circuit en het opsturen daar.
  • Doel van het opsturen is een rechthoekig circuit over de grond.
  • Leg per circuitbeen de effecten van zijwind op de vliegbaan uit en de gewenste luchtkoers om de juiste grondkoers te vliegen.
  • Voordelen benedenwinds circuit:beter zicht op het veld, makkelijker met vervroegd indraaien en een laatste bocht die minder is dan 90 graden.
  • In het geval van harde zijwind en een benedenwinds circuit wordt het rugwindbeen dichter bij het veld gevlogen.
  • Leg het effect van dwarswind uit bij het ingaan van de finalbocht.
  • Koersvliegen doe je met het piefje recht.
  • Wijs op het kunnen voorkomen van downwash en turbulentie t.g.v. bomen en objecten.

Vlucht

  • Circuit laten afvliegen met juiste grondkoers.
  • Leerling niet te ver van het ideale circuit laten afwijken, daar leert hij niet veel van.
  • Controleren of de leerling zich oriënteert op het veld, aanwijzingen ook geven t.o.v. het veld, niet aan sloten of wegen refereren.
  • Snelheid op circuit en in de bochten juist en constant (neusstand).
  • Voldoende snelheid in laatste bocht.
  • Eventueel ingrijpen voor de landing, anders binnenpraten.
  • Klepgebruik bij de landing gebeurt bij voorkeur onder mondelinge begeleiding. Pas na een aantal landingen door de leerling volledig zelf.

Debriefing

  • Neusstand in de bochten.
  • Horizon komt steeds hoger in de kap (lagere neusstand). Check de snelheid.
  • Laatste bocht geen schuivende bocht maken.
  • Rugwindbeen parallel aan landingsplaats.
  • Voorlopige landingsveldkeuze bepaalt het indraaipunt voor het basisbeen.
  • Beslissingen op circuit hardop melden aan de instructeur.

Achtergronden

  • Op andere velden kan het anders zijn.
  • Als er veel kisten voor je op circuit zijn eventueel wat eerder naar het basisbeen draaien, zodat je over ze heen kunt landen.
  • Kijk niet naar je vleugeltippen (snelheidssensatie / trekken in laatste bochten).

Observatie

  • Te laag of te hoog.
  • Te hard of te langzaam.
  • Te laat of te vroeg.
  • Te ver of te dicht bij het veld.
  • Thermieken in het circuit.
  • Niet voldoende uitkijken/kijken naar de vleugeltippen.
  • Anderen hinderen, te vroeg indraaien.

Voorbeeldbriefing

Het in Nederland gebruikelijke zweefvliegcircuit is in principe rechthoekig van vorm en begint afhankelijk van de lokale situatie op 400 à 500 m opzij van de lier op de lokaal vastgestelde hoogte en eindigt uiteindelijk op het op dat moment geldige landingsveld. Om een dergelijk circuit bij zijwind te vliegen moet worden opgestuurd door de koers zoveel in de richting van de zijwind te verleggen dat inderdaad een ongeveer rechthoekig circuit - zoals in het geval dat er geen zijwind is - het resultaat is.

Wij kiezen voor het benedenwinds circuit. Voordelen:beter zicht op het veld, makkelijker met vervroegd indraaien en een laatste bocht die minder is dan 90 graden. Bij zijwind die het vliegtuig op het rugwindbeen naar buiten wil verplaatsen is de neus van het zweefvliegtuig in de richting van het veld gericht en naar buiten gericht bij zijwind die het zweefvliegtuig naar het veld toe wil drijven. In dit laatste geval is de hoek waarover de neus gedraaid moet worden om van rugwindbeen over te gaan naar het basisbeen groter dan 90º. Het is in dit geval dan ook nodig om vroeg met het draaien van die bocht te beginnen. In het tegenovergestelde geval van tegenwind op het basisbeen is het draaien van het rugwindbeen in de richting van het basisbeen aanzienlijk beter te overzien.

Op het basisbeen kunnen we door beperkt onze koers te verleggen, van het veld af of naar het veld toe, de plaats waar uiteindelijk onze final zal beginnen beter positioneren. We zullen daarbij rekening moeten houden met het feit dat we bij tegenwind op het basisbeen meer en bij meewind op het basisbeen minder tijd hebben om eventueel het teveel aan hoogte met onze kleppen weg te werken.

Tijdens de finalbocht moeten we goed rekening houden met het effect van de wind. Ten gevolge van de wind zal de bocht naar final groter of kleiner zijn (actuele situatie weergeven). We moeten dus iets eerder/later beginnen met indraaien. Vooral de laatste bocht naar final met rugwind is gevaarlijk om twee redenen: Doordat we rugwind hebben zal de grondsnelheid groot zijn en zullen we snel het (verkeerde) idee hebben dat we ook een grote snelheid t.o.v. de lucht hebben. Als we de snelheidsmeter niet goed in de gaten houden zullen we daardoor snel geneigd zijn langzamer te gaan vliegen. Daarnaast zullen wij de bocht naar final of eerder moeten beginnen of steiler moeten draaien dan in het geval zonder wind. Omdat die laatste bocht dicht bij de grond is zullen we geneigd zijn deze bocht te willen draaien zonder veel helling. In dat geval zullen we snel veel voeten daarbij willen gebruiken. Het resultaat is de "ideale" uitgangssituatie voor een (asymmetrische) overtrek in een schuivende bocht op geringe hoogte. Omdat we al zo laag zitten in deze bocht is dat dodelijk omdat je het vliegtuig niet meer tijdig kunt opvangen. De bocht naar final moet dus altijd netjes worden gevlogen met je piefje recht en met voldoende snelheid. Kijk dus vooruit en niet naar je vleugeltippen of het veld. Kies na deze bocht de aangewezen naderingssnelheid (meestal de gele driehoek op je snelheidsmeter).

Op final sturen we iets naar links of naar rechts. Ook op final blijven de vleugels recht. Het opsturen gaat door tot aan het afvangen. Dan moet het opsturen worden opgeheven om niet 'getraverseerd' te landen. Hoe je dit doet komt bij de landingsbriefing aan de orde.

EVO Oefening 13 — De Landing / landing met zijwind

Bron: Handboek Zweefvlieginstructeur [→ zie 1.2 Instructiemateriaal]

tips & adviezen

EVO Oefening 13 — De Landing / landing met zijwind

Theoretische Kennis EVO 4.15, 4.16 en 4.17
Instructie Zweefvliegen 4.20

Leren landen is het moeilijkste deel van de EVO. In het algemeen heeft het geen zin te beginnen met de landing als de leerling een slechte vliegtuigbeheersing heeft (snelheid niet constant, ongecoördineerde bochten, vleugels niet recht houden). Tijdens de landing komen zoveel zaken op de leerling af dat een juiste dosering noodzakelijk is. In de praktijk dient de nadering enkele malen te zijn herhaald voor met afronden/afvangen wordt begonnen.

Briefing

  • Begrippencheck: Kennis van circuit en circuitprocedures.
  • Goede landing begint op 250 meter bij de planning van je circuit.
  • Finalbocht brengt je recht voor de gekozen landingsplaats.
  • Snelheid op final kiezen.
  • Vliegbaan en snelheid voortdurend controleren.
  • Windgradient.
  • Zijwind/opsturen.
  • Gebruik van de kleppen (voorkeur half kleppen landen).
  • Onder 10 m hoogte klepstand niet meer veranderen.
  • Afronden en afvangen, waarbij ver vooruit wordt gekeken.
  • Na de landing vol kleppen om te remmen, bij zijwind vleugel in de wind laag, knuppel getrokken en voeten tegen om weerhaaneffect te voorkomen.

Vlucht

  • Nadering door leerling, de instructeur coacht of helpt.

Debriefing

  • Nadering met nadruk op constante snelheid/koers.
  • De naderingsbriefing minimaal drie keer herhalen.

Achtergronden

  • Grondeffect.
  • Final kan anders zijn bij korter veld of minder vrije inzweef.
  • Landing op hellende baan.
  • De landingsbriefing bevat heel veel informatie en aandachtspunten en moet daarom meerdere malen worden herhaald. Probeer niet in één briefing alles uit te leggen. Geef de eerste keer een briefing op hoofdlijnen. In latere briefings kun je meer details geven.

Observatie

  • Snelheid niet constant/te hoog/te laag.
  • Naar landingsveld duiken.
  • Wapperen met het richtingsroer tijdens final is een teken dat de vlieger nog zeer gespannen is.
  • Onjuist kleppengebruik (te veel/weinig/rommelen).
  • Afronden te hoog/laag/snel/langzaam.
  • Niet afronden.
  • Afvangen te bruusk/vroeg/laat.
  • Niet afvangen.
  • Niet rechttrappen, traverseren.
  • Windgradient onderschatten.
  • Landen door kleppen te trekken.
  • Wind onder de vleugel laten komen.
  • Door dwarswind laten verrassen (rondgaan als gevolg van weerhaaneffect).
  • Knuppel niet getrokken houden na landing (zie hoogteroer).
  • Kleppen niet vol getrokken na de landing/te hard remmen.

Voorbeeldbriefing

De basis voor een goede landing is een goede, lange en vooral ook rustige eindnadering met een constante snelheid en een rustig gebruik van de remkleppen.

De afstand die wordt afgelegd tijdens die eindnadering wordt bepaald door de hoogte en de plaats waarop wordt ingedraaid van basisbeen naar final. Die hoogte dient groot genoeg te zijn om het landingsveld onder alle omstandigheden ruimschoots te kunnen halen. Op het basisbeen kan de hoogte van indraaien worden beïnvloed (ofwel rustig worden verlaagd) door gebruik van de remkleppen.

Indien nodig mag de bocht naar final met geopende kleppen worden gemaakt, maar tijdens deze bocht mogen de kleppen niet open worden getrokken.

Zorg dan dat je recht voor de baan komt, kies eventueel je opstuurhoek en maak de snelheid goed. Bij windkracht 1-2 is dat de normale landingssnelheid. Bij elke stap meer wordt 5 km/hr harder gevlogen. Bijvoorbeeld: bij windkracht 3-4 +5, bij 4-5 +10km/h etc. Een andere vuistregel is: snelheid van de gele driehoek plus ½ windsnelheid. Merk op dat dit snelheidsverloop nodig is om de windgradiënt te kunnen overwinnen. Bij vlagerige wind of natte vleugels nog een extra veiligheidsmarge nemen.

Controleer op final zodra je snelheid goed is, je baan: Ga ik op het richtpunt af? Het punt waar je op af gaat is het punt dat niet beweegt t.o.v. de cockpitkap. Op dit punt zou je grond raken als je niet zou afronden en afvangen. Omdat dit natuurlijk wel moet gebeuren, kies je als richtpunt een plek ca. 30 meter voor het doellandingsveld, zodat na afronden en afvangen je ongeveer in het doellandingsveld uitkomt.

Als je te hoog of te laag zit regel dat je dat bij met kleppen terwijl je de snelheid goed houdt en voor de baan blijft.

Als je te ver naar links of naar rechts zit regel dit dan bij met nette bochten, d.w.z. met de knuppel en voeten sturen, niet met alleen voeten!

Op ongeveer 10 meter hoogte zet je de kleppen op half en hou je ze in deze stand. Snelheid constant blijven houden.

Ziet men - met de blik gericht op de horizon - in zijn ooghoeken, dat men volgens deze procedure in de directe nabijheid (ruwweg op een meter hoogte) komt dan voorkomt men een botsing met de grond door voorzichtig te trekken aan de stuurknuppel. Het vliegtuig komt daarbij tot vlak boven de grond. Dit is de afrondingsfase. De snelheid neemt daardoor af (als gevolg van de grotere invalshoek (=weerstand) waardoor het zweefvliegtuig opnieuw dreigt door te gaan zakken. Door voorzichtig steeds meer te trekken blijft men dan proberen het doorzakken te voorkomen tot op het moment dat de snelheid de minimum vliegsnelheid bereikt en het zweefvliegtuig niets anders kan doen dan landen. In deze allerlaatste fase van de vlucht, het afvangen, dient men er vooral voor te waken dat men abrupte stuurbewegingen maakt.

Na de landing dient men het zweefvliegtuig in een rechte lijn te laten uitlopen met de vleugels horizontaal (of bij zijwind met de bovenwindse vleugel iets lager). Tijdens de uitloop (niet eerder) vol kleppen om te remmen. Knuppel in de buik blijven houden. Bij zijwind niet de wind onder de bovenwindse tip laten komen (dus vleugel lager). Het vliegtuig krijgt last van het weerhaaneffect; door tegenvoeten wordt dat voorkomen.

Eventueel beheerst remmen met de wielrem. Zeker bij nat gras bestaat het gevaar van blokkeren van het wiel door te hard remmen.

De vlucht is pas afgelopen als de kist stilstaat !

Samengevat:

A. Goed voor de baan, snelheid goed, richtpunt in de gaten houden, kleppen bedienen

B. Op ca 10 meter hoogte kleppen half, snelheid constant houden.

C. Eventueel rechttrappen en afronden, na het afronden afvangen, doorgaan met afvangen tot de neus uit zichzelf begint te zakken. Knuppel getrokken houden, kist horizontaal (of vleugel laag bij zijwind) en op koers houden, remmen met vol kleppen. Voorzichtig met wielrem.

VVO Oefening 7 — Doellanden

Bron: Handboek Zweefvlieginstructeur [→ zie 1.2 Instructiemateriaal]

tips & adviezen

VVO Oefening 7 — Doellanden

Theoretische kennis: VVO 2.5

Briefing

De reden dat het doellanden hier als Les 7 en 8 zijn opgenomen, is niet omdat het doellanden in deze fase van de VVO perfect beheerst moet worden (dat is pas aan het einde van de VVO), maar dat de techniek van een doellanding wel gekend moet worden. Ook mag van een leerling in deze fase van zijn voortgezette vliegopleiding verwacht worden dat hij een nette landing kan maken op de plaats waar hij het wil. In deze eis zit een duidelijke nuance met perfect doellanden.

Een belangrijke voorwaarde voor een goede doellanding is een goed gevlogen circuit. Qua vorm, grootte en vliegsnelheden. De belangrijkste voorwaarde is een goed gevlogen final. Wijs de leerling op het gebruik van de trim om de juiste circuitsnelheden vast te houden.

Neem als richtpunt op final een punt dat zo'n 30 meter voor het doellandingsveld ligt. Leg de leerling uit dat de neusstand (en dus de knuppel voor een draaiing om de dwarsas) de vliegsnelheid regelt en dat de daalhoek met de remkleppen wordt geregeld.

Vertel de leerling dat hij met half tot 2/3 kleppen op final komt aanvliegen omdat dit de meeste flexibiliteit geeft om de daalhoek te regelen. Let op de juiste landingssnelheid en dat deze is aangepast aan de weersomstandigheden. Bij harde wind, veel turbulentie, en windgradiënt of natte vleugels, dient het standaard afgesproken minimum, in relatie tot de omstandigheden, naar boven bijgesteld te worden. Vertel dat er altijd sprake moet zijn van een redelijke daalhoek. Een (te) vlakke nadering is uit den boze. Dat geeft te weinig marge en het maakt de landing bij met name turbulent weer moeilijker.

Leg de leerling uit wat het H.E.L.P. effect is. Dit is een afkorting van High Energy Landing Problem en betekent dat zwaardere vliegtuigen door hun relatief hoge gewicht erg veel energie bezitten tijdens het landen en dat de energie sterk toeneemt (kwadratisch), met het toenemen van de snelheid. Hierdoor hebben vliegtuigen die gevoelig zijn voor het H.E.L.P. effect de neiging om bij oversnelheid tijdens de landing verder door te vliegen tijdens het afronden en afvangen dan andere vliegtuigen. Natuurlijk kan dit tijdens (buiten)landingen in velden met een beperkte veldlengte heel vervelend zijn.

Vlucht

De leerling zal moeten beginnen met een goed circuit te vliegen. Schroom niet om de oefening af te breken als het basis principe van het vliegen van een juist circuit niet in orde is om zo de leerling duidelijk te maken dat doellanden begint bij het aanknopingspunt van het circuit.

Op final dient de leerling de snelheid goed constant te houden, wat hij regelmatig moet checken op de snelheidsmeter. De leerling zal altijd een volledig beheerste afgevangen landing moeten maken. Sommige vliegtuigen hebben de neiging om door te zakken (t.g.v. een te lage vliegsnelheid) dus is het belangrijk om als instructeur alert te zijn op dit soort situaties om harde landingen te voorkomen

Debriefing

Geef feedback over het gevlogen circuit, de gevlogen snelheden en de punten waar ingedraaid werd naar basisbeen en final. Vertel het de leerling indien de trim niet werd gebruikt. Laat hem weten hoe de landingssnelheid op final zich heeft ontwikkeld.

Om de leerlingen die veel moeite hebben met afronden en afvangen wat extra hulp te geven, kan worden gewezen op de knuppelbeweging tijdens het afronden en afvangen. In het begin van het afronden en afvangen wordt de knuppel slechts millimeters verplaatst terwijl tijdens de laatste fase van het afvangen de knuppel centimeters wordt verplaatst en in een rustig tempo de knuppel naar achter wordt gedaan tegen de aanslag. Leg de leerling uit dat de kunst is dit in het tempo te doen dat past bij de tegenwind en de actuele vliegsnelheid en dat hij moet proberen zolang mogelijk op grasspriet hoogte te blijven vliegen. De meest gemaakte fout is dat de leerling tijdens het afronden en afvangen geen punt in de verte kiest, zodat afronden en afvangen bemoeilijkt wordt doordat men de hoogte en bewegingsrichting niet juist kan inschatten.

De daalhoek wordt met de kleppen geregeld. Zorg dat je marge hebt. Zit je onder de daalhoek dan bestaat de kans dat je te laag komt, de final te vlak wordt en je nagenoeg geen manoeuvreerruimte meer hebt.

Achtergrond

Veel leerlingen die moeite hebben met de doellandingen hebben maar één probleem. Ze bereiden de landing niet goed genoeg voor en proberen dan dicht bij de grond met behulp van de hele trukendoos de kist in het doellandingsveld te krijgen. Dit lukt af en toe, maar nooit een volle serie achter elkaar, met frustratie tot gevolg.

Daarom is het belangrijk de leerling te leren de landing goed voor te bereiden, door in de eerste plaats een goed circuit te vliegen. Vervolgens de leerling op final een heel constante snelheid laten vliegen en daarbij uitleggen dat 10 km/h extra snelheid al snel een landing ca. 30 meter verderop oplevert. Het oefenen van het inschatten van de daalhoek en het landingspunt kan het beste gebeuren met een constante kleppenstand, zodat de leerling het patroon duidelijk kan waarnemen. Pas als de leerling consequent (nagenoeg) in het doellandingsveld terecht komt, kan eventueel als extra oefening de leerling tijdens het afronden en afvangen de stand van de kleppen wijzigen om te leren wat voor invloed dit heeft op het vliegtuig, het vliegpatroon, de landing en de exacte plaats van de landing. Daarmee leert de leerling dit alleen te gebruiken als de allerlaatste fijnafstemming.

VVO Oefening 8 — Doellanden met zijwind

Bron: Handboek Zweefvlieginstructeur [→ zie 1.2 Instructiemateriaal]

tips & adviezen

VVO Oefening 8 — Doellanden met zijwind

Theoretische kennis VVO 2.6

Briefing

Tijdens deze oefening zal als extra t.o.v. doellanden zonder zijwind worden verteld dat tijdens het circuit zal moeten worden opgestuurd. Leg de leerling uit wat een getraverseerde landing is en wijs hem op het belang om vlak voor afronden de neus in de landingsrichting brengen. Vertel hem waarom de vleugel aan de windzijde iets lager dient te worden gehouden en wijs hem op het gevaar van zijwaartse verplaatsing door dwarswind (crosswind). Leg uit wat het weerhaaneffect is en dat dit met tegenvoeten kan opvangen. Wijs hem op de roerdruk tijdens het uitrollen en dat naarmate de snelheid op de grond lager wordt steeds grotere roeruitslagen nodig zijn.

Vlucht

Wijs tijdens het circuit op de vliegkoers versus de grondkoers. Leg hem uit hoe hij de windrichting en snelheid kan bepalen. Wijs op elke vluchtsituatie waarbij niet voldoende gecoördineerd wordt opgestuurd. Wees tijdens de landing op je hoede wanneer de leerling te weinig de neus van het vliegtuig in de vliegrichting brengt tijdens het afronden en afvangen. Grijp snel in wanneer één van de vleugels onder invloed van de dwarswind de grond dreigt te raken om een grondzwaai te voorkomen.

Debriefing

Geef als feedback aan de leerling dat het kiezen van een punt op de horizon tijdens laatste fase van de landing nog belangrijker is dan bij een gewone landing. Je hebt dan veel beter zicht op de afwijkingen van de juiste richting. Let op dat de leerling de lage vleugel niet te laag houdt, maar er wel in volhardt tot de kist stilstaat en ervoor waakt dat de wind alsnog onder de vleugel slaat.