2.6.7 Rechtlijnige vlucht
Oefening 7: Rechtlijnige vlucht
- Doel
De kandidaat-instructeur adviseren over hoe de SPL-leerling moet worden getraind om een rechtlijnige vlucht met een constante koers aan te houden zonder te slippen of te schuiven. Bovendien moet de kandidaat-instructeur leren hoe hij fouten van SPL-leerlingen kan identificeren en hoe deze correct te corrigeren. - Briefing
De kandidaat-instructeur legt uit:
- hoe een rechtlijnige vlucht vast te houden;
- de verschillende snelheidslimieten;
- de langsstabiliteit van het zweefvliegtuig; en
- het effect van trimmen.
- Vliegoefening
De kandidaat-instructeur moet demonstreren:
- vasthouden van rechtlijnige vlucht;
- inherente langsstabiliteit;
- het besturen van de stampbeweging van het zweefvliegtuig, inclusief het gebruik van de trim met visuele referenties en snelheid;
- hoe de instrumenten te monitoren;
- het controleren van de neusstand met behulp van visuele referenties;
- het controleren van de koers met behulp van visuele referenties op de grond;
- de uitkijkprocedures tijdens alle vliegoefeningen;
- hoe de SPL-leerling te adviseren om de rechtlijnige vlucht vast te houden; en
- hoe, indien nodig, fouten te herkennen en te corrigeren.
- Debriefing
Handboek Zweefvlieginstructeur [→ zie 1.3 Instructiemateriaal]
- EVO Oefening 3 "Horizon, snelheid en trim"
- EVO Oefening 5 "Rechtlijnige vlucht"
Zweefvliegopleiding.nl
- EVO 4.4 Snelheid, horizon en trim
- EVO 4.6 Rechtuitvliegen, vleugels horizontaal
- EVO 4.7 Rechtuitvliegen met zijwind
EVO Oefening 3 — Horizon, snelheid en trim
EVO Oefening 3 — Horizon, snelheid en trim
Theoretische kennis EVO 4.3 en 4.5
Instructie Zweefvliegen 4.5 en 4.6
Briefing
In principe naast het vliegtuig.
1. Stabiliteit en Gebruik trim
- Leg uit dat het vliegtuig rol- en richtingstabiel gebouwd is en vertel hoe dit komt.
- Verklaar de werking van de trim (veer of aerodynamisch) en demonstreer de beweging van knuppel – hoogteroer bij verschillende instellingen van de trimhandel.
- Trim is soort 'cruise-control' en zorgt voor minimale knuppelkracht bij gekozen snelheid.
2. Neusstand en horizon
- Leg uit dat de stand van de langsas t.o.v. de horizon, waar te nemen door de hoogte van de horizon in de kap (neusstand), de snelheid bepaalt.
- Vertel dat bij rechtuitvliegen de vleugeltippen beide net -evenhoog- boven de horizon zichtbaar moeten zijn.
- Leg uit waarom de leerling de (horizontale) stand van de vleugels moet/kan leren onderkennen door vooruit te kijken.
Vlucht
1. Gebruik Trim
- Stabiliteit en gebruik trim. Demonstreer werking van de trim.
- Demonstreer stabiliteit door in je handen te klappen of handen op schouders leggen om te bewijzen dat er niemand stuurt. Het vliegtuig vliegt zichzelf. Bij turbulent weer zeggen dat de verstoringen niet de schuld van de leerling zijn.
2. Oefening Neusstand houden/horizon
- Wijs op de positie van de horizon in de kap bij verschillende snelheden.
- Wijs op de positie van de vleugeltips boven de horizon bij rechtuitvliegen.
- Laat de leerling oefenen met neusstand houden en vleugels recht. Doe hierbij zelf de 'voeten' en laat geen bochten vliegen.
- Bij rustig weer van de ene naar de andere neusstand laten wisselen en natrimmen. Leerling wijzen op de traagheid van het vliegtuig in het bereiken van de gekozen (eind)snelheid.
- Leerling wijzen op geluid bij de verschillende snelheden.
- Vertellen dat het vasthouden van de neusstand altijd van belang blijft en ook in bochten blijft gelden.
Debriefing
Ingaan op de gemaakte fouten.
Achtergronden
- Leg uit waarom neusstand belangrijk is. Snelheid is in een stationaire vlucht het gevolg van neusstand (horizon in de kap).
- Dichter bij de grond komt de horizon hoger in de kap, niet veroorzaakt door een standsverandering, dit kan te langzaam vliegen op het circuit en tijdens final veroorzaken. Snelheidsmeter goed blijven checken.
- Ga niet te diep in op vragen over het piefje en overige instrumenten en verwijs naar volgende lessen.
EVO Oefening 5 — Rechtlijnige vlucht.
EVO Oefening 5 — Rechtlijnige vlucht.
Theoretische kennis EVO 4.0 en 4.5
Instructie Zweefvliegen 4.8, 3.2 en 3.3
Briefing
- Gecoördineerd vliegen met een bepaalde constante snelheid in een bepaalde richting (bij voorkeur eerst recht tegen de wind in).
- Referentiepunt in de verte nemen.
- Een beetje dwarshelling > geeft koersafwijking door neveneffect.
- Gebruik piefje (zeg eventueel ook iets over slipmeter en de relatie tussen die twee).
- Hoek langsas t.o.v. horizon, stand van de horizon in de kap (neusstand), bepaalt snelheid.
- Wijs op juist aftrimmen.
- Wijs op geluidsniveau tijdens normale vlucht.
Vlucht
- Laat duidelijk de horizon in de kap (positie kaprand) zien.
- Laat hoofdoorzaak koersafwijking zien (vleugels horizontaal).
- Trim vliegtuig bij enkele snelheden.
- Uitkijken (geef andere vliegtuigen aan volgens klokmethode).
- Laat de leerling vervolgens een referentiepunt in de verte nemen en daarnaar toe vliegen.
- Heel kleine koersafwijkingen ongecoördineerd laten corrigeren, maar grotere door middel van een bochtje (gecoached) terug naar het richtpunt. Bij rustige lucht eventueel een verstoring aanbrengen.
- Demonstreren dat het vliegtuig "vanzelf" vliegt.
Debriefing
Veel voorkomende fouten.
- Vleugels niet horizontaal.
- Onjuiste neusstand (o.a. gewicht voorste vlieger van invloed op neusstand).
- Niet of onjuist aftrimmen.
- Onvoldoende uitkijken.
- Snelheidsmeter najagen.
- Koersafwijkingen.
- Piefje niet recht (of slipmeter).
- Een leerling die regelmatig slipt en daarbij steeds aanduikt zit te veel op de snelheidsmeter te turen en verdeelt de aandacht niet goed.
Achtergronden
De leerling moet nu zelf driedimensionaal gaan denken er naar handelen. Dat geeft een bepaalde druk, wat kan resulteren in verkeerde aandachtsverdeling en fixatie, waardoor de fouten kunnen ontstaan. Belangrijk is dat die fouten gemaakt mogen worden en dat de instructeur daar coachend mee om gaat. Niet te vlug overnemen. Laat de leerling veel naar buiten kijken om zo de ruimtelijke oriëntatie te ervaren.
Observatie
- Gespannen vliegen (schouders/nek).
- Geen goed zicht i.v.m. met geringe lengte.
- Knuppel te krampachtig vasthouden.
- Niet goed naar buiten kijken, alleen op andere vliegtuigen letten.