Ga naar hoofdinhoud

2.6.14 Steile bochten

wetgeving
AMC1 SFCL.330(b) (b)(2)(v) Oefening 14

Oefening 14: Steile bochten

  1. Doel
    De kandidaat-instructeur bijbrengen in hoe steile bochten draaien en cirkelen (45° helling) met een constante neusstand (snelheid) en met het piefje gecentreerd geleerd wordt. Bovendien moet de kandidaat-instructeur leren hoe hij fouten van SPL-leerlingen kan identificeren en hoe deze correct te corrigeren.
  2. Briefing
    De kandidaat-instructeur legt uit:
  1. de relatie tussen helling en snelheid;
  2. hoe steile bochten draaien en cirkelen te beheersen;
  3. de ongewone neusstanden die kunnen ontstaan (overtrek/vrille en spiraalduik); en
  4. hoe vanuit deze ongewone neusstanden te herstellen.
  1. Vliegoefening
    De kandidaat-instructeur moet demonstreren:
  1. steile bochten (45°) met een constante snelheid en met het piefje gecentreerd;
  2. gebruikelijke fouten (slippen en schuiven);
  3. ongewone neusstanden en hoe hieruit te herstellen;
  4. hoe hij/zij de SPL-leerling leert om steile bochten te draaien en te cirkelen; en
  5. hoe, indien nodig, fouten te herkennen en te corrigeren.
  1. Debriefing
tips & adviezen

Handboek Zweefvlieginstructeur [→ zie 1.3 Instructiemateriaal]

  • EVO Oefening 18 "Spiraalduik"
  • VVO Oefening 3 "Steile wisselbochten"
  • VVO Oefening 5 "Spiraalduik"

Zweefvliegopleiding.nl

  • EVO 4.22 Steilere bochten vliegen
  • EVO 4.24 Ongewone vliegstanden, spiraalduik en tolvlucht
  • VVO 4.3 Steile wisselbochten en spiraalduik