Ga naar hoofdinhoud

6 Module E: Instructie voor vlieginstructie (FIFI)

richtlijnen
AMC1 DTO.GEN.230 (a)

Opleidingsdoel

Deze module heeft als doel om (kandidaat-)instructeurs op te leiden tot zweefvlieginstructeur voor aerobatics en/of het slepen van zweefvliegtuigen.

Toelating en vrijstellingen

De (kandidaat-)instructeur moet:

  • een SPL met FI(S) zonder FI(S) restricted hebben, en
  • ten minste 50 uur of 150 starts zweefvlieginstructie hebben gegeven.

Daarom kan deze module pas gedaan worden nadat module B is afgerond.

Er zijn geen vrijstellingen mogelijk.

Theorie

Er zit geen theorie in deze module.

Samenvatting en structuur van de opleiding

De (kandidaat-)instructeur laat zijn/haar bekwaamheid zien in demonstratievlucht(en):

  • Afgenomen door een FIFI van een DTO
  • 1 start en 1 landingsoefening
  • Een selectie van bovenwerkoefeningen
  • 1 noodprocedureoefening

De bekwaamheid wordt afgetekend op de progressiekaart (zie Appendix ...).

Er is geen maximale opleidingsduur gedefinieerd.

wetgeving
SFCL.315(a)(7)

FI(S)-certificaat — Bevoegdheden en voorwaarden

  1. Mits kandidaat-instructeurs voldoen aan punt SFCL.320 en onder de volgende voorwaarden, wordt een FI(S)-certificaat afgegeven met bevoegdheden om vlieginstructie te geven voor:
  1. een FI(S)-certificaat, mits de kandidaat-instructeur het volgende heeft voltooid:
  1. ten minste 50 uur of 150 starts voor vlieginstructie in zweefvliegtuigen;
  2. overeenkomstig de daartoe door de bevoegde autoriteiten vastgestelde procedures [→ zie hieronder de invulling van ILT], heeft aangetoond dat hij of zij in staat is instructie te geven voor het FI(S)-certificaat ten overstaan van een FI(S) die gekwalificeerd is overeenkomstig deze paragraaf en die is voorgedragen door het hoofd opleiding van een ATO of een DTO.
wetgeving
AMC1 SFCL.315(a)(7)(ii)

FI(S)-certificaat — Bevoegdheden en voorwaarden

DEMONSTRATIE VAN DE BEKWAAMHEID TOT HET GEVEN VAN INSTRUCTIE IN FI(S) OPLEIDINGEN

De demonstratie van de bekwaamheid tot het geven van instructie in FI(S) opleidingen, zoals vereist in SFCL.315(a)(7)(ii), moet bestaan uit oefeningen uit het FI(S) trainingsprogramma, waarbij ze zijn geselecteerd door de toezichthoudende FI(S), en moeten in ieder geval alle van de volgende onderdelen bevatten:

  1. één start- en één landingsoefening;
  2. een selectie van bovenwerkoefeningen; en
  3. één noodprocedureoefening.
wetgeving
Invulling ILT

In Nederland wordt SFCL.315 (a)(7)(ii) [→ zie hierboven] ingevuld door checkvluchten met een FI(S) aan een ATO of DTO. De ATO of DTO dient bevoegd te zijn om de FI(S) opleiding te verzorgen.

De FI(S) die de checkvluchten afneemt dient bevoegd te zijn als FI(S) voor het opleiden van FI(S). De checkvluchten moeten voldoen aan de voorwaarden in SFCL.315 (a)(7) en AMC1 SFCL.315(a)(7)(ii) [→ zie hierboven]. Voor invulling van deze voorwaarden worden dezelfde vluchten aangehouden als het Assessment of competence (AoC) zoals bedoeld in SFCL.345 [→ zie paragraaf 1].

Het resultaat van deze vluchten wordt door de ATO of DTO op eenzelfde wijze geregistreerd als het flight test schedule als voor een AoC voor een FI(S). Dit wordt door de ATO of DTO gearchiveerd. Bij het positief doorlopen van de checkvluchten wordt door de ATO of DTO een course completion certificate verstrekt met daarop de vermelding dat de bevoegdheid 'Flight Instructor (Sailplane) – FI(S)' is behaald. Op grond van deze verklaring, een kopie van het flight test schedule en het logboek en het voldoen aan de voorwaarden in SFCL.315 (a)(7) [→ zie hierboven] kan de instructiebevoegdheid voor FI(S) door ILT of een andere luchtvaartautoriteit in het SPL worden bijgeschreven.

tips & adviezen

De progressiekaart kan gebruikt worden als "course completion certificate" (zie invulling ILT).