B.2 Digitaal
Indien wordt gekozen om de administratie digitaal bij te houden, dan moet de administratie minstens het volgende bevatten:
- Algemene gegevens van de kandidaat-instructeur:
- Bevoegdverklaringen waarvoor de kandidaat-instructeur zijn/haar FI(S)-certificaat wil krijgen, zoals startmethodes, TMG-rating, aerobatics en/of het slepen van zweefvliegtuigen
- Vervaldatum van medisch certificaat
- Progressiekaart
- Op de CIZ-website staat een Excelsheet met alle progressiekaartonderdelen
- Een progressiekaartonderdeel dient minimaal het volgende te bevatten:
- Deel/module van de opleiding
- Naam van het onderdeel
- Behaald ja/nee
- Datum van behalen
- Naam van FIFI dat het onderdeel heeft afgetekend
- Startadministratie, per vlucht moet minimaal het volgende worden vastgelegd:
- Datum
- Vluchtduur
- Type vliegtuig
- Naam van de kandidaat-instructeur
- Naam van de FIFI bij Onderdeel 3: Praktijkopleiding of van een SPL-leerling in Module B: Instructie onder toezicht.
De administratie moet 3 jaar na de laatste opleidingssessie worden bewaard [→ zie DTO.GEN.220(c)]. Ook dient de administratie alleen maar toegankelijk te zijn tot de personen die er recht op toegang tot de gegevens hebben [→ zie DTO.GEN.220(d)].
Algemene gegevens van de kandidaat-instructeur
De algemene gegevens kunnen op de volgende manieren worden opgeslagen:
- een scan van de documenten worden opgeslagen, of
- alleen de gegevens zelf, waarbij er geborgd dient te worden dat deze gegevens juist zijn (bijv. alleen aanpasbaar door FIFI's of een proces dat de invoer van kandidaat-instructeurs gecontroleerd wordt).
Progressiekaart
De Excelsheet met progressikaartondelen op deze website bevat een omschrijvingen van de onderdelen. Door deze omschrijving bij de digitale progressiekaart te tonen (niet verplicht), helpt het FIFI's om het onderdeel correct af te tekenen. Anders dienen FIFI's in dit trainingsprogramma te kijken of de kandidaat-instructeur het onderdeel voldoende beheerst.
Elk onderdeel dient minimaal een mogelijkheid te hebben om afgevinkt te worden. Om de head of training, FIFI's en kandidaat-instructeurs de progressie te helpen monitoren, kan het afvinken worden uitgebreid met de volgende opties (niet verplicht):
- Een schaal van 1 tot 5:
- Demo
- Fysiek ingrijpen
- Verbaal ingrijpen
- Kleine aanwijzingen
- Examen niveau
- en/of een vrij-tekstveld, waarbij bijv. het onderwerp van een briefing of een andere referentie gemaakt kan worden
Bij het onderdeel 2.6.11 Startmethodes: lieren, slepen en/of zelfstart heeft de kandidaat-instructeur de keus om een FI(S) certificaat voor één startmethode te halen of voor meerdere. Afhankelijk van de opzet binnen de DTO, kan er worden gekozen om online meerdere soorten progressiekaarten/opleidingen aan te bieden. Bijvoorbeeld 1 progressiekaart/opleiding voor FI(S) lieren en de andere voor FI(S) lieren+slepen.
De progressiekaart van het SPL bevat meer oefeningen dan de progressiekaart in C.2. Progressiekaart Module A, zoals 2.6.12 Circuit, nadering en landing, mogen opgesplitst worden in sub-progressiekaartonderdelen.
Startadministratie
De kandidaat-instructeur moet minimaal de volgende hoeveelheid vluchten of uren hebben gemaakt:
- Module A: Onderdeel 3: Praktijkopleiding
- 20 starts of
- 6 uur
- Module B: Instructie onder toezicht
- 50 starts of
- 15 uur
Het is aan te raden om deze starts apart te kunnen markeren, zodat deze vluchten digitaal eenvoudig geteld kunnen worden.
Een andere optie is om een progressiekkaartonderdeel aan te maken, waarbij een FIFI verklaard dat de kandidaat-instructeur voldoet aan deze eisen. De FIFI kan de starts/uren opzoeken in de startadministratie of het logboek van de kandidaat-instructeur.